abafar

a.ba.far
ɐbɐˈfar
verbo transitivo
verstikken;
benauwen;
smoren;
doven (vuur);
DIREITO achterhouden (bewijs);
in de doofpot stoppen;
Brasil pejorativo ontstelen;
ontfutselen;
de zeilen oprollen;
kleden
verbo intransitivo
moeilijk ademen;
stikken, geen adem kunnen krijgen;
zeer warm zijn
abafar a banca
de bank laten springen
Brasil coloquial bluffen;
snoeven
Porto Editora – abafar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2021-12-05 20:47:11]. Disponível em