acanhar

a.ca.nhar
ɐkɐˈɲar
verbo transitivo
nietig doen lijken;
niet tot ontwikkeling doen komen;
verschrompelen;
knellen;
kwellen;
beschamen
acanhar-se
verbo pronominal
beschaamd schuchter, timide worden;
ontmoedigd worden;
zich vernauwen
ANAGRAMAS
Porto Editora – acanhar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2021-12-03 08:12:36]. Disponível em