antecipar

an.te.ci.par
ɐ̃təsiˈpar
verbo transitivo
vooruitlopen op, anticiperen; vervroegen
antecipar os agradecimentos
bij voorbaat danken
antecipar-se
verbo pronominal
zich vervroegen; vroeger komen; vooruitlopen (op iets)
Como referenciar: antecipar in Dicionário infopédia de Português|Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora, 2003-2018. [consult. 2018-02-18 01:31:09]. Disponível na Internet: