antecipar
an.te.ci.par
ɐ̃təsiˈpar
verbo transitivo
vooruitlopen op, anticiperen; vervroegen
antecipar os agradecimentos
bij voorbaat danken
antecipar-se
verbo pronominal
zich vervroegen; vroeger komen; vooruitlopen (op iets)
Como referenciar: antecipar in Dicionário infopédia de Português|Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora, 2003-2017. [consult. 2017-07-27 07:41:48]. Disponível na Internet: