arrasar

ar.ra.sar
ɐʀɐˈzar
verbo transitivo
vlak maken, nivelleren;
tegen de grond gooien, verwoesten;
vernietigen;
vernederen, krenken;
terneer slaan, neerdrukken;
(iemand) voor rotte vis uitmaken
Porto Editora – arrasar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-25 13:31:36]. Disponível em