deixar

dei.xar
dɐjˈʃar
verbo transitivo
laten, laten liggen, achterlaten;
zich verwijderen van, verlaten;
(have, goed, nabestaanden) achterlaten;
niet houden, niet vasthouden;
opgeven, ophouden, niet meer doen;
afzien van, opgeven;
(plicht) verzaken;
(gevangene) loslaten, vrijlaten;
terzijde laten;
lenen, geven;
(aan iemand een beslissing) overlaten;
(het ongeoorloofde) toelaten;
(het onnodige) weglaten;
als legaat, als erfenis nalaten
deixar atrás
niet vermelden, weglaten
deixar de fora
erbuiten laten, erbuiten houden
deixar dito
(bevel) achterlaten
deixar feito (ou pronto, acabado)
gereed laten
deixar encarregado
opdragen, belasten met
deixar triste (alegre)
bedroefd (blij) maken
deixar de
ophouden met, vergeten (of nalaten) te, zich wachten te
não posso deixar de ir
ik mag niet ontbreken, ik moet gaan
não posso deixar de rir
ik kan niet anders dan lachen
deixar muito a desejar
veel te wensen overlaten
não deixar de
niet nalaten
deixe que eu cuide disso
laat mij dat doen
ora deixe-me!
laat me toch met rust!
deixar correr
laten lopen, zich niet bekommeren om
deixar perceber
laten merken
deixar sentir
laten voelen
deixar ver
tonen, laten zien
deixar-se
verbo pronominal
zich laten gaan, geen weerstand bieden
Porto Editora – deixar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-19 13:19:25]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
ATIVIDADE POLÍTICA
abordagem de passagem indiscriminada de pessoas / abordagem do «deixar passar»
doorwuifaanpak
CIÊNCIAS, AGRICULTURA, SILVICULTURA E PESCA
deixado ao abandono
verwilderd
DIREITO
sem deixar subsistir direitos
zonder rechten te hebben laten bestaan
a marca deixar de produzir efeitos
het merk heeft geen rechtsgevolgen meer
deixar de produzir efeitos
ophouden gevolgen te hebben
VER +