desfazer

des.fa.zer
dəʃfɐˈzer
verbo transitivo
ongedaan maken, tenietdoen;
opbreken, afbreken;
verwoesten, in stukken breken, stuk maken, vernielen;
de vorm veranderen van;
(het genaaide) weer lostornen;
(knopen) losmaken;
(suiker) oplossen;
(illusie) te niet doen;
(vijand) vernietigen;
verstoren;
ontredderen;
(wolken) verdrijven;
annuleren, verbreken, herroepen (verdrag, contract);
(belediging) weer goedmaken
desfazer alguma coisa de
iets verwijderen van
desfazer alguém de
iemand bevrijden, vrijmaken van
desfazer-se
verbo pronominal
uiteen vallen, stuk gaan;
losgaan (naad, kapsel);
zich oplossen, smelten;
vervallen;
oneens worden
desfazer de
zich ontdoen van
(kleding) uittrekken;
(waarde) verkopen, verhandelen
desfazer em
zich te buiten gaan in, uitbarsten in
desfazer por
zich alle moeite geven om
desfazer em lágrimas
in tranen uitbarsten
Porto Editora – desfazer no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-25 17:57:36]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
AGRICULTURA, SILVICULTURA E PESCA
máquina de desfazer cigarros
openscheurapparaat
peixe desfeito
vis met "gellymeat"
temporal desfeito
zeer zware storm
FINANÇAS
desfazer de posições
vrijgekomen krediet, vrijmaking van bedragen