desobedecer

de.so.be.de.cer
dəzɔbədəˈser
verbo intransitivo
ongehoorzaam zijn;
niet luisteren;
tegenspartelen, zich verzetten tegen;
niet opvolgen, zich niet (aan instructies) houden;
in strijd (met iets) handelen
Porto Editora – desobedecer no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2021-12-01 02:40:26]. Disponível em