despachar

des.pa.char
dəʃpɐˈʃar
verbo transitivo
afhandelen, afdoen, afwikkelen (de lopende zaken);
(telegram) opgeven, verzenden;
(geschrift) uitvaardigen;
(verzoek, rekest) inwilligen;
(rechtsgeding) beslissen;
Brasil coloquial wegsturen, ontslaan;
coloquial ombrengen
verbo intransitivo
een ambt uitoefenen;
de beslissing doen, beslissen
despachar-se
verbo pronominal
zich spoeden;
haast maken
Porto Editora – despachar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-25 19:56:48]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
ATIVIDADE POLÍTICA, DIREITO
despacho ministerial
ministerieel besluit, ministeriële beschikking
DIREITO
acusação / despacho de pronúncia
in staat van beschuldiging stellen, inbeschuldigingstelling
despacho de pronúncia
beschikking van inbeschuldigingstelling, beslissing omtrent vervolging
despacho ministerial / portaria
ministerieel besluit, ministeriële beschikking, ministeriële regeling, ministeriële verordening
EDUCAÇÃO E COMUNICAÇÃO
despacho conjunto
gezamenlijk besluit
VER +