desvanecer

des.va.ne.cer
dəʒvɐnəˈser
verbo transitivo
doen voorbijgaan, doen verdwijnen;
uitvegen;
verzachten, verlichten (pijn);
ijdel, trots maken
desvanecer-se
verbo pronominal
vervliegen, zich (in het niets) oplossen, verdwijnen;
ijdel worden
Porto Editora – desvanecer no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2021-11-27 01:58:05]. Disponível em