embicar

em.bi.car
ẽbiˈkar
verbo transitivo
puntig maken
verbo intransitivo
struikelen, hakkelen, blijven steken;
vast lopen op, stranden
embicar com
figurado onenigheid hebben met, ruzie maken
embicar para
aansturen, afgaan, afstevenen op
Porto Editora – embicar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-22 04:46:52]. Disponível em