fugir

fu.gir
fuˈʒir
verbo intransitivo
vluchten, ontvluchten;
overijld ervan doorgaan;
zich verwijderen, verdwijnen;
vermijden, ontwijken
fugir com o corpo
uitwijken, afweren
fugir para
wegvluchten naar
figurado er zich vanaf maken
deixar fugir
(iemand) laten ontkomen
Porto Editora – fugir no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2021-12-04 23:24:38]. Disponível em