ligar

li.gar
liˈɡar
verbo transitivo
vastbinden, vastmaken;
verbinden, verenigen;
doen vastzitten, doen vastkleven;
verbinding maken met, aan elkaar koppelen;
aansluiten op;
aanzetten (motor);
stroom inschakelen;
licht, gas aandoen;
MEDICINA afbinden;
coloquial aandacht geven;
(metaal) legeren;
(stoffen) mengen
não ligar duas ideias
niet coherent kunnen denken
ele não liga
dat is hem om het even
hij schenkt er geen aandacht aan
ligar as trompas
MEDICINA de eileiders afbinden
verbo intransitivo
zich verenigen, samensmelten
ligar para
Brasil opbellen, telefoneren
ligar com
zich verdragen met
passen bij;
verenigen
ligar-se
verbo pronominal
zich verbinden met;
betrekking hebben op;
een verbond aangaan
ANAGRAMAS
Porto Editora – ligar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-22 10:09:19]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
ATIVIDADE POLÍTICA
Liga Norte
Lega Nord
Liga Lombarda
Lombardische Liga
Liga Nacional para a Democracia
Nationale Liga voor Democratie
ATIVIDADE POLÍTICA, QUESTÕES SOCIAIS
Liga da Juventude Operária da Albânia
Jeugdbond
CIÊNCIAS, INDÚSTRIA
liga magnetostritiva
magnetostrictieve legering
VER +