marcar

mar.car
mɐrˈkar
verbo transitivo
merken, markeren;
aanduiden, aangeven;
speciaal karakter geven;
vaststellen, bepalen, vastleggen (datum, termijn);
onderscheiden;
(plaats in een boek) aanstrepen;
(plaats) bespreken of reserveren;
(telefoonnummer) draaien, kiezen;
DESPORTO goal maken;
mandekking geven;
(steken) maken;
(zilver) waarmerken;
(tijd, punten) aangeven, aanwijzen;
score bijhouden;
(maat) slaan, dirigeren;
NÁUTICA peilen, in peiling nemen
marcar encontro
een ontmoeting afspreken
marcar consulta
consulteren (dokter of advocaat)
marcar lugar
plaats reserveren, bespreken
marcar passo
de pas markeren
figurado pas op de plaats maken, geen vooruitgang boeken
Porto Editora – marcar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-25 01:30:55]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
AGRICULTURA, SILVICULTURA E PESCA
marcar a frio
koudbranden
ferro para marcar gado
tang voor het merken van vee
tesoura para marcar gado
schaar voor het merken van vee
ATIVIDADE POLÍTICA, UNIÃO EUROPEIA, DIREITO
Instituto Comunitário de Marcas
Merkenbureau van de Gemeenschap
CIÊNCIAS
holograma / marca oticamente variável
optisch variabel kenmerk
VER +