romper

rom.per
ʀõˈper
verbo transitivo
(in stukken) breken;
stuk maken, verscheuren;
ploegen;
doorbreken, doordringen in, met geweld openen;
weg banen door, doorkruisen, doorklieven;
verbreken, een einde maken aan;
plotseling beginnen;
op de vlucht jagen
verbo intransitivo
ontspringen;
uitbarsten, beginnen, aanbreken (dag), opgaan (sterren);
doordringen tot;
breken met
romper a
beginnen te
nome masculino
ao romper do dia (do sol)
bij het aanbreken van de dag (bij het opgaan van de zon)
romper-se
verbo pronominal
breken, knappen, knakken;
stuk gaan;
barsten, uiteenspringen
Porto Editora – romper no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-28 03:04:05]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
AGRICULTURA, SILVICULTURA E PESCA
encher os regos / romper os regos
voren dichten