sinal

si.nal
siˈnaɫ
nome masculino
teken, sein, signaal, aanwijzing;
teken, gebaar;
uiterlijk kenmerk;
wasmerk;
(telefone) toon, signaal;
firmamerk;
ECONOMIA aanbetaling, handgeld;
ondertekening, handtekening;
DIREITO notariële waarmerking;
plural persoonsbeschrijving;
het uiterlijk
sinal de nascença
moedervlek
sinal diacrítico
GRAMÁTICA accent
sinal de mais
plusteken
sinal de menos
minteken
sinal de trânsito
verkeersbord
sinal luminoso
verkeerslicht
sinal fechado
(trânsito) rood licht
sinal verde
(trânsito) groen licht
figurado verlof, toestemming
em sinal de
ten teken van
por sinal
overigens, wat ik zeggen wilde, à propos
abrir sinal
z'n handtekening zetten (bij notaris)
avançar o sinal
(trânsito) door het rode licht rijden
Brasil coloquial seks bedrijven voor het huwelijk
dar sinal
waarschuwen
dar sinal de si
van zich laten horen
dar sinal de vida
levensteken geven
dar sinal de
merken, gewaar worden, leren kennen
não dar sinal de
niet komen op
não dar sinal de si
buiten zich zelf zijn, z'n hoofd verliezen
sinais particulares
bijzondere kentekenen
Porto Editora – sinal no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-25 08:32:42]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
ATIVIDADE POLÍTICA, INDÚSTRIA
sinal de ignição
ontstekingssignaal
DIREITO
apor o sinal
aanbrengen van het teken
identidade entre a marca e o sinal
het merk en het teken zijn gelijk
semelhança entre a marca e o sinal
overeenstemming tussen het merk en het teken
EDUCAÇÃO E COMUNICAÇÃO
sinal de vídeo composto
composiet videosignaal
sinal de cabeça magnética
signaal van magneetkoppen
desmodulador de sinal de leitura
demodulator voor leessignalen
VER +