tomar

to.mar
tuˈmar
verbo transitivo
nemen, pakken, vastgrijpen;
innemen, zich meester maken van;
gevangennemen;
grijpen, afnemen;
wegnemen, roven, stelen;
veroveren, innemen;
in beslag nemen, geheel vullen;
aangrijpen, ontroerd worden door;
in dienst nemen;
aanvaarden;
houding aannemen van;
(medicamenten) innemen;
(maaltijd) tot zich nemen;
drinken;
(teugel, stuur) in de hand nemen;
(gewicht, aantal) vaststellen;
(temperatuur, hoogte) meten;
(maatregelen) nemen;
(besluit, moed) vatten;
(adem) scheppen
tomar à letra
letterlijk nemen
tomar amor (ou afeição) a
gaan houden van, genegenheid opvatten voor
tomar a peito
zich inzetten voor, ter harte nemen
tomar a sério
serieus nemen
tomar como
opvatten als
tomar conta de
zorgen voor, passen op
tomar medo de
bang worden voor
tomar por
houden voor
toma lá!
pak aan!, daar!, jou wil ik het geven!
verbo intransitivo
beschouwen, oordelen, menen
tomar-se
verbo pronominal
zich dronken drinken;
kwaad worden van
tomar do vinho
zich een roes drinken
ANAGRAMAS
Porto Editora – tomar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-28 03:47:32]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
ATIVIDADE POLÍTICA
medidas a tomar em caso de acidente e de catástrofe
actieplan in geval van nood, rampen- en crisisrespons, rampenplan
ATIVIDADE POLÍTICA, UNIÃO EUROPEIA, FINANÇAS, TRANSPORTES
Comité consultivo das medidas a tomar em caso de crise no mercado dos transportes rodociários de mercadorias
Raadgevend Comité inzake de in crisissituaties te nemen maatregelen op de markt voor het goederenvervoer over de weg
CIÊNCIAS
replicado das tomas analíticas para teste
voor replicatieonderzoek bestemde analyseportie
VER +