acabar

a.ca.bar
ɐkɐˈbar
verbo transitivo
eindigen;
concluderen;
completeren;
tot een einde brengen;
er een eind aan maken;
vernietigen;
opmaken;
ophouden
acabar com
vernietigen, stuk maken
er een eind aan maken;
liquideren;
doden
verbo intransitivo
eindigen;
aflopen;
stoppen;
geëindigd zijn;
sterven
acabar de
[ +werkwoord in onbepaalde wijs] juist, net gebeurd zijn
acabar em
eindigen in, beëindigen in
acabar mal
slecht eindigen, aan een slecht einde komen
acabar por
[ +werkwoord in onbepaalde wijs] ten slotte, eindigen bij
acabe com isso!
houdt er mee op!, stop dat!
acabar-se
verbo pronominal
op zijn;
ophouden;
het einde bereiken
Porto Editora – acabar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-29 04:47:57]. Disponível em

OUTROS EXEMPLOS DE USO

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
AGRICULTURA, SILVICULTURA E PESCA
acabar a lavoura
afploegen, eindvoor maken
massa por unidade de comprimento do produto acabado
resulterende lineaire dichtheid, resulterende lineïeke massa
EDUCAÇÃO E COMUNICAÇÃO
data imposta para acabar
opgelegde einddatum
INDÚSTRIA
máquina de acabar engrenagens
machine voor het afwerken van tandwielen
acabar uma forma
bekleden van een leest
ferramentas de acabar gargalos / ferramentas de fazer gargalos / pinças de gargalos
halsschaar, halstang
VER +