Alguns resultados com a palavra weer no dicionário de Neerlandês - Português
aanzwengelen
een project
ademhalen
afkletsen
ze hebben
bestendig
bestendig
bijpraten
we moeten
boffen
ik bof maar
dorstig
dit
drenzerig
drenzerig
drukkend
drukkend
gesteldheid
de gesteldheid van het
groeizaam
groeizaam
heen-en-
het heen-en-
herademen
iemand
meet
miezerig
miezerig
mistroostig
mistroostig
nattig
nattig
nevelachtig
nevelachtig
onbestendigheid
de onbestendigheid van het
praatstoel
hij zit