a.gra.dar
ɐɡrɐˈdar
ɐɡrɐˈdarverbo transitivo
behagen, bevallen, aanstaan; plezieren; believen; vleien, paaien, strelen
verbo intransitivo
behaaglijk zijn
agradar-se
verbo pronominal plezieren, voldoening vinden in; zich verheugen over; aangenaam zijn; een goede indruk maken
Partilhar
Como referenciar 
agradar – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/agradar [visualizado em 2026-07-05 04:28:24].