desconjuntar

des.con.jun.tar
dəʃkõʒũˈtar
verbo transitivo
uit de geledingen halen, uit het lid trekken;
scheiden, splitsen, uiteen doen vallen;
ontwrichten, verstuiken;
ongedaan maken
desconjuntar-se
verbo pronominal
figurado uit elkaar, (eraf, los) gaan;
uiteen vallen;
ten gronde gaan
Porto Editora – desconjuntar no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora. [consult. 2022-01-20 11:25:38]. Disponível em