en.fi.ar
ẽˈfjar
ẽˈfjarverbo transitivo
draad in de naald steken; insteken; rijgen; (kledingstuk, schoenen) aantrekken; erin brengen, aanbrengen, vastzetten; doorboren, doorsteken; de draad weer opnemen; aan een stuk vertellen; begaan, afleggen; voortzetten zonder onderbreking; NÁUTICA de koers, de plaats bepalen
verbo intransitivo
bleek worden, flauw vallen
enfiar-se
verbo pronominal binnendringen; zich op weg begeven naar; zich aaneen rijgen, opeen volgen
Partilhar
Como referenciar 
enfiar – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/enfiar [visualizado em 2026-07-25 19:26:02].