fi.car
fiˈkar
fiˈkarverbo intransitivo
blijven, verblijven; gelegen zijn, liggen; overblijven, resteren; overnachten; overeenkomen, toezeggen te uitstellen, verzetten; erbij blijven, niets meer zeggen toekomen, ten deel vallen; verkrijgen, kopen; combineren, passen, goed zitten goed (slecht) staan op zich nemen; verantwoordelijk zijn voor; worden, zich veranderen in; zijn; voortduren, blijven bestaan; plotseling stilstaan, stokken
ele ficou de vir à noite
hij komt vanavond
disse três palavras e nisto ficou
hij zei drie woorden en bleef daarbij
isto fica entre nós
dat blijft onder ons
ficar contente
tevreden zijn
ficar atrás de
achterblijven bij
ficar bem (mal)
passend (niet passend) zijn
a roupa fica-lhe bem
de kleding staat hem goed
ficar a fazer alguma coisa
nog iets te doen hebben
ficar a pintar
goed, als gegoten zitten, precies passen
ficar em
blijven bij, vaststellen, bepalen, belopen, bedragen, kosten, geraken in
ficar na sua
bij je leest blijven, er niet mee bemoeien
ficar para ali, ficar para um canto
terzijde blijven, vergeten of verwaarloosd worden
ficar por
(prijs) komen op, kosten
ficar por alguém
iemand vervangen
ficar por isso mesmo
niet gestraft worden, de zaak de zaak laten
ficar por conta de alguém
voor iemands rekening komen
ficar sem
kwijtraken, verliezen, niet krijgen
ficar sem se fazer
niet gedaan zijn
em que ficamos?
waar blijven wij?, wat besluiten wij?
ficar à mercê de
aan de genade overgeleverd zijn van
ficar tonto
verbaasd (of perplex) staan
ficar bonito
mooi zijn
ficar feio
lelijk worden, (van situatie) slechter worden
ficar calado
zijn mond dichthouden
ficar com
blijven bij, houden, behouden, overhouden
ficar com medo
bang worden
ficar com pena de
medelijden hebben met
ficar com uma perna partida
een been breken
ficar de boca aberta
met open mond blijven staan
ficar de cama
ziek, bedlegerig worden
ficar de fora
buitengesloten zijn
ficar de mal com
ruzie hebben met
ficar de pé
staan, blijven staan
ficar em paz
kalm (of rustig) blijven
ficar mal a
slecht zijn voor, afdoen aan
ficar mal com
niet combineren met, niet passen bij
ficar por fazer
nog gedaan moeten worden
ficar a saber de tudo
alles te weten komen
ficar a sobrar
overblijven
ficar-se
verbo pronominal geen pas meer doen, stoppen, stokken; verblijven, zich ophouden
Outros exemplos de uso

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
- land transport / TRANSPORTficar curtonlte kort binnenkomen
- land transport / TRANSPORTficar aliviado de carga / ficar mais levenlontlasten
Download IATE, European Union, 2023
Partilhar
Como referenciar 
ficar – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/ficar [visualizado em 2026-07-13 21:57:50].
antónimos de ficar
anagramas de ficar
Outros exemplos de uso

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
- land transport / TRANSPORTficar curtonlte kort binnenkomen
- land transport / TRANSPORTficar aliviado de carga / ficar mais levenlontlasten
Download IATE, European Union, 2023
Partilhar
Como referenciar 
ficar – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/ficar [visualizado em 2026-07-13 21:57:50].