ir
ˈir
ˈirverbo intransitivo
gaan, zich (ergens naartoe) bewegen reizen; vertrekken, weggaan; vervoerd of gebracht worden naar verstuurd of verzonden worden verdwijnen, oplossen, vervagen gebeuren, zich afspelen leiden naar (weg); vooruitgaan beginnen met; een (zaak) aanpakken verleden, voorbij zijn het maken (van gezondheid) gereed, klaar zijn om; op het punt staan om (bij zaken) waar loopt dit op uit? kalm aan! RÁDIO, TELEVISÃO uitgezonden worden vallen; figurado failliet gaan reiken tot, in verbinding staan met het ver schoppen
ir de barco
varen
ir de bicicleta
fietsen
ir de automóvel
met de auto gaan
ir de avião
vliegen
estava muito mal quando foi para o hospital
hij was zeer slecht toen hij naar het ziekenhuis ging
a carta já foi
de brief is al verstuurd
lá foram as suas esperanças
daar verdwenen zijn verwachtingen
não se sabe o que vai lá dentro
men weet niet wat daar binnen gebeurt
ir a
gaan naar (voor kortstondig verblijf)
ir para
gaan naar (om er te blijven)
já lá vão três anos
het is ongeveer al drie jaar geleden
ele vai nos oitenta
hij is al in de tachtig
como vai?
hoe maakt U het?
como vão as crianças?
hoe maken de kinderen het?
ir
(gevolgd door onbepaalde wijs) zullen
ele vai falar sobre o assunto
hij zal over het onderwerp praten
vamos vestir-nos para sair
laten wij ons kleden om uit te gaan
onde vai?
waar gaat u naartoe?
já vou!
ik kom al!
vamos!
laten we gaan! ga mee! vooruit! hoor 'ns even!
vá!
vooruit! mars!
vá lá
welnu, vooruit dan maar
o que lá vai lá vai!
weg is weg!
vai não vai
vaak, om de haverklap
você vai ver
dat zal u spoedig zien
água vem água vai
dingen gaan en komen
ir abaixo
verslagen worden
ir para o ar
opstijgen
ir a meia força
op halve kracht varen (of gaan)
ir ao chão
tegen de grond gaan
ir ao encontro de
ontmoeten
ir ao lado de alguém
iemand vergezellen
ir às do cabo
met scheldwoorden dreigen
ir atrás de
vertrouwen op, geloven in, achterna lopen
ir ter a
bereiken, aankomen
ir ter com
ontmoeten (op afgesproken plaats)
não ir com
niet mogen, niet houden van
ir de mal a pior
van slecht naar nog slechter gaan
ir longe
vooruitgang maken
ir muito longe
te buiten gaan
ir longe de mais
te ver gaan
ou vai ou racha
kost wat kost, ondanks alles
ir-se
verbo pronominal zich richten tot; zich op weg bewegen; weggaan, vertrekken; verdwijnen; verdampen (vloeistoffen); vervliegen (hoop)
ir desta para melhor
sterven
ir embora
weggaan
Outros exemplos de uso

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
- GEOGRAPHY / AsiaIrão / República Islâmica do IrãonlIran, Islamitische Republiek Iran
- chemical elementirídionliridium
Download IATE, European Union, 2023
Partilhar
Como referenciar 
ir – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/ir [visualizado em 2026-07-17 00:23:13].
Outros exemplos de uso

Os seguintes exemplos foram recolhidos da Base Terminológica da União Europeia (IATE) e não representam a opinião dos editores da infopedia.pt.
- GEOGRAPHY / AsiaIrão / República Islâmica do IrãonlIran, Islamitische Republiek Iran
- chemical elementirídionliridium
Download IATE, European Union, 2023
Partilhar
Como referenciar 
ir – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/ir [visualizado em 2026-07-17 00:23:13].