jogo
nome masculino
spel, wedstrijd, gok; vertier, vermaak, tijdverdrijf; stuurmechanisme; onderstel (wagen); figurado (het) wedden, (het) gokken; (beurs) speculatie; manoeuvre, list
abrir o jogo
openhartig spreken
fazer o jogo de alguém
het spel met iemand meespelen, iemand in de kaart spelen
o jogo do empurra
(het) doorschuiven van de verantwoordelijkheden
jogo de mão
goochelspel
jogo de palavras
woordspeling
calar-se (ou fechar-se) com o jogo, esconder o jogo
zich niet in de kaart laten kijken
entrar em jogo
aan het spel gaan deelnemen
een rol spelen
entrar no jogo
meespelen, meemaken
estar em jogo
op het spel staan
faltar ao jogo
zich niet aan de spelregels houden
jogo
forma do verbo jogar
1.ª pessoa do singular do presente do indicativo de jogar
Como referenciar: jogo in Dicionário infopédia de Português|Neerlandês [em linha]. Porto: Porto Editora, 2003-2017. [consult. 2017-09-22 07:09:00]. Disponível na Internet: