des.pe.dir
dəʃpəˈdir
dəʃpəˈdirverbo transitivo
wegsturen; (personeel) ontslaan; afscheid nemen van, uitgeleide doen; versturen; eruit gooien, lanceren; (schot) afvuren; (slag, klap) toebrengen; (schreeuw) uitstoten; (geur) afgeven; afhandelen; afgeven, uitwasemen
verbo intransitivo
weggaan, zich terugtrekken, op sterven liggen
despedir-se
verbo pronominal afscheid nemen; (betrekking) opzeggen; (ambt) neerleggen; ervan doorgaan, weggaan
despedir à francesa
zich stilletjes terugtrekken
Partilhar
Como referenciar 
despedir – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/despedir [visualizado em 2026-07-19 11:59:50].