di.zer
diˈzer
diˈzerverbo transitivo
zeggen, beweren; bevestigen, benadrukken; uitdrukken, gebaren; luiden, behelzen (tekst); schrijven; luidkeels toejuichen; (verhalen) vertellen, (gedicht) voordragen; (gebed) uitspreken; tonen, laten zien; bepalen, betekenen
nome masculino
uitdrukking(swijze); stijl; gerucht
no dizer de
volgens zeggen
dizeres
opschrift, inscriptie, beschrijving
dizer-se
verbo pronominal zich noemen; zich beschouwen als; zich zelf voordoen als
dizer adeus
gedag zeggen
dizer que sim (não)
ja (nee) zeggen
querer dizer
beduiden, bedoelen
é dizer, querer dizer
dat heet
por assim dizer
om zo te zeggen
muito havia que dizer
er viel nog veel te zeggen (of te vertellen)
não sei o que dizer
ik weet niet, wat ik (daartoe) zeggen moet
a bem dizer
beter gezegd
dizer respeito a
betreffen
Partilhar
Como referenciar 
dizer – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/dizer [visualizado em 2026-07-21 06:43:29].