en.ten.der
ẽtẽˈder
ẽtẽˈderverbo transitivo
verstaan, begrijpen, vatten, snappen; verstand hebben van; ervaring hebben met; afleiden uit, aannemen; geloven, menen, denken; de intentie hebben, willen; horen, verstaan
verbo intransitivo
verstaan, begrijpen, geschiktheid hebben voor bevoegd zijn voor zich bezighouden met duidelijke taal spreken
entender de
iets ervan begrijpen
entender de lagares de azeite, entender da poda
zijn zaak verstaan, begrijpen
entender em
eraan denken om
dar a entender
te verstaan geven, aanduiden
dar que entender
te denken geven
fazer-se entender
zich duidelijk uitspreken
nome masculino
mening; oordeel
no meu entender
naar mijn mening
entender-se
verbo pronominal zich met elkaar verstaan; 't eens worden; weten wat men doet
entender com
met (iemand) overleg plegen of het eens zijn
eu cá me entendo
ik weet waaraan ik toe ben of wat ik te doen heb
Partilhar
Como referenciar 
entender – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/entender [visualizado em 2026-08-06 20:20:02].