man.dar
mɐ̃ˈdar
mɐ̃ˈdarverbo transitivo
bevelen, gelasten, opdragen; bepalen, voorschrijven; regeren, besturen, commanderen, leiden; opsturen, zenden; werpen, gooien ontslaan laten afdruipen
mandar embora
wegsturen
mandar fazer alguma coisa
iets laten doen
mandar à estampa
in druk geven, laten drukken
mandar para outra vida
(iemand) naar de andere wereld helpen
mandar à fava, mandar passear
wegsturen, eruit gooien (iemand die lastig is)
mandar em
de baas zijn in, voor het zeggen hebben over
Partilhar
Como referenciar 
mandar – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/mandar [visualizado em 2026-07-28 22:03:37].