la.vrar
lɐˈvrar
lɐˈvrarverbo transitivo
land bewerken, (om)ploegen; hout snijden; edelsteen slijpen; (figuren) (in)stikken; drijven (in metaal); (in steen) beitelen, (in)graveren; (munten) stempelen; reliëfwerk maken; uithollen; (ertsbedding) ontginnen, exploiteren; (akte) opstellen
verbo intransitivo
zich uitbreiden, om zich heen grijpen; verschijnen, ontstaan; zich ontwikkelen, groeien; nadeel, schade toebrengen
Partilhar
Como referenciar 
lavrar – no Dicionário infopédia de Português - Neerlandês [em linha]. Porto Editora. Disponível em https://www.infopedia.ptdicionarios/portugues-neerlandes/lavrar [visualizado em 2026-08-01 01:58:57].